Het was het eerste echte voorbeeld van een multifunctioneel sportstadion in Nederland. Daarvóór, rond de eeuwwisselling, waren er wel ambitieuze Sportterreinen geweest die verschillende disciplines onderbrachten. Maar niet in deze vorm, met een centrale toegang en zo'n grote tribune eromheen voor 24.700 bezoekers, uit te breiden tot 30.000 door op de sintelbaan noodtribunes te zetten. Binnen in de arena gebeurde van alles, van operavoorstellingen tot volksfeesten en van voetbal tot concours hippique. Bij het stadion lagen ook nog tennisbanen, cricket-, korfbal-, hockey- en voetbalvelden.
De wielerbaan kwam pas in 1919. Die was uitneembaar en kon dus naar believen worden opgezet. Dat gebeurde meestal alleen in de zomer als de voetbalcompetitie stillag. Maar als er toch moest er toch worden gevoetbald, zoals bij interlands, waren de klachten over het slechte uitzicht niet van de lucht. De renners hadden ook wel een haat- liefdeverhouding met de baan, die wel de Omgevallen Schutting werd genoemd. Dat kwam door de dwarslatten waarmee het rijvlak was betimmerd. Aan de ene kant was Het Stadion dé plek om het vak te leren en een stabiel programma te kunnen afwerken, aan de andere kant was het er niet heel fijn rijden.
Niettemin werden de allergrootste wedstrijden hier gehouden, inclusief een drukbezocht wereldkampioenschap in 1925. Sprinter Piet Moeskops, die sinds 1921 de regenboogtrui had gedragen, werd teleurstellend in de halve finales geklopt door Schilles. Lichtpuntje was de amateursprint, waar Jaap Meijer wereldkampioen werd voor Toine Mazairac.
B 52.344244 L 4.859640
Foto 2-10-2016