Achter het Rijksmuseum lag vanaf 1885 een sportterrein, eigenlijk het allereerste grote sportterrein in Nederland. Het bevatte een paardenrenbaan, terrein voor atletiek en een wielerbaan van gewalst gruis met een cementlaag, die in de winter als ijsbaan kon dienen. Dat afwisselen kostte wel geld, de grond moest 's zomers weer worden opgehoogd en gladgemaakt, met nieuw cement. Misschien wel symbolisch voor de dubbele pet die Jaap Eden op had: hij werd in 1893 in Amsterdam wereldkampioen allround op de schaats en deed dat in 1895 en 1896 opnieuw, én haalde wereldtitels op de fiets (1894, 1895), alsmede verschillende wereldrecords.

Maar de pijn zat dieper, en is door Hogenkamp (1916) beschreven. De Amsterdamsche Sportclub, opgericht door Baron De Salis, had de grond gratis in gebruik gekregen, maar was zelf zo leep om het terrein te verhuren. De Velocipedeclub en de Wieler-Wedstrijd-Vereeniging, en de IJsclub betaalden zich blauw. En voor het herstel van haar eigen wielerbaan moest de wielerclub in 1890 en 1891 zelfs respectievelijk 2100 en 2500 gulden aftikken, een kapitaal in die tijd.

Het bleef daarna nogal stil rond de wielerbaan, met heel wat geklaag in de kranten tot gevolg. De hoofdstad moest toch meetellen op wielergebied? Maar ter gelegenheid van de 'Wereldtentoonstelling van het Hôtel- en Reiswezen' op het Museumplein werd het in 1895 plots mogelijk om er de eerste houten baan van Nederland neer te zetten. Dat stelde al heel wat meer voor. Jaap Eden, dat jaar ook wereldkampioen op de sprint, won alle nummers bij de openingswedstrijden. Vóór de motorgangmaking werd er gestayerd achter tandems en multiples, vehikels met soms wel vijf berijders.

Jammer alleen dat het avontuur maar een jaartje mocht duren. Het Museumplein werd steeds meer volgebouwd. De baan moest wijken en werd bij het Willemspark weer opgebouwd.

Amsterdam, Museumplein (1885-1896, Hout, 333,3m)


B 52.359170 L 4.883843

Foto 20-11-2012